Het is drukkend warm. We lopen voorbij een winkel waar bollywoodmuziek uitschalt. Op de grote flatscreen voor de deur zien we de bijbehorende clip. Veel doeken, bewegende buiken en aanstekelijke dansjes. We ruiken curry's, look, gebakken vlees en koriander. Wat verder gaan we een Sikhtempel binnen. We moeten onze schoenen uitdoen aan de deur en G krijgt een doekje op zijn hoofd. Hij lijkt wel een piraat, zeg ik. Ik probeer niet te lachen, ben bang dat ik dan niet genoeg respect toon aan de man met de tulband die ons in Indiaas Engels rondleidt en ons zoete thee met melk aanbiedt. Eerder die dag waren we al bij een andere tempel, waar mensen met sari's rondliepen en stippen op hun voorhoofd kregen, en ook bij een tempel met veel wierook en lampionnen en Chinese tekens en brommers op de binnenplaats.
We hebben al naan gegeten en murgh tikka massala, maar ook nasi samen met schoolmeisjes met lange witte sluiers. En een bouillon waaruit we de groenten met stokjes visten. In de vitrine van het restaurant hingen blinkende dieprode kippenlijven. Een vrouw op straat bood ons in het voorbijgaan aan een stukje af te knippen van de lap vlees die ze met een tang vasthield. We bedankten vriendelijk.
G heeft vissen aan zijn voeten laten knabbelen in een aquarium, terwijl mijn voeten onder handen werden genomen door een kleine Chinees die gemeen hard kon knijpen. Dat schijnt goed voor je te zijn.
Op straat zien we een monik rondlopen, zo eentje met een oranje doek en een kaal hoofd. In zijn hand bungelt een digitale camera in een tasje.
En dan zijn er nog de reizigers, zoals wij. De Lonely Planet weggestopt in het tasje en af en toe stiekem spiekend. We lachen even naar elkaar als we weer datzelfde Nederlandse stel tegenkomen.
We zijn hier nog geen week, zeiden we vandaag verbaasd tegen elkaar, maar we hebben al zoveel moois gezien, we zijn in de zevende hemel. Met elkaar.